Om half vier krentenbrood

Om half vier krentenbrood

Ze zegt niets, de mevrouw met het vriendelijke gezicht. Als ik haar een hand wil geven, lijkt het of ze dwars door me heen kijkt. Geen hand, geen reactie. Haar bewegingen zijn stram. Haar koffie krijgt ze eerst in een kopje, maar dat gaat al snel over in een tuitbeker. Mevrouw moet sowieso worden geholpen met drinken – met zo’n tuit knoeit het tenminste niet. Ook het plakje koek blijkt lastig. In eerste instantie houdt ze de hap minutenlang bewegingsloos in haar mond, uiteindelijk kauwt ze wat en slikt het door.

Ik ben een dagje te gast op een dagvoorziening voor mensen met vergevorderde dementie. Na een dag op een groep voor mensen met beginnende dementie, is dit andere koek. Waar op de andere groep nog wel een grapje wordt gemaakt, wat wordt gelachen en kleine gesprekjes mogelijk zijn, is hier weinig emotie zichtbaar. De lichamen zijn stram, de gezichten wat star en de ogen verraden weinig uitdrukking. Behalve die van de mevrouw naast mij. Zij kijkt wat boos, angstig misschien. Wat ze zegt, is ook vaak boos. ‘Nee hoor!’ ‘Verschrikkelijk!’ ‘Je bent een rotmens!’ Als je er met een lachend gezicht wat van zegt, lacht ze soms terug.

Kapitein

Vandaag zijn er twee mannen en vier vrouwen. De beide mannen zitten naast elkaar. ‘Dat is mijn neef’, zegt de grootste van de twee, een forse man die in zijn werkzame leven als kapitein op een schip vast een groot gezag uitstraalde. Nu is hij een man die de hele dag bezig is met eten en drinken.
‘Mag ik nog wat thee?’
‘Om twaalf uur gaan we eten.’
‘Om half vier krijgen we krentenbrood.’ Hij zegt het de hele dag door met enige regelmaat.
Daarnaast gaat hij volledig op in zijn activiteit. Hij zit nog maar net aan tafel als hij al een handvol velletjes papier en een pen krijgt aangereikt. De begeleidsters kennen hem. Meneer begint direct te schrijven. Als ik hem in de loop van de dag vraag waar hij over schrijft, noemt hij Piet Hein en de Zilvervloot. Het gaat over piraten, over goud dat werd veroverd en over hoe dat geld vervolgens op een bank in Holland werd gezet. Verhalen van vroeger.
Heel veel meer zegt ook hij niet op zo’n dag. Ook zijn neef praat amper nog. Die pakt op een gegeven moment een mandala en kleurpotloden en zoekt een tafeltje alleen. Het wordt een kleurig geheel en netjes binnen de lijntjes.

Breekbare handen

Een mevrouw in roze pakt de krant. Met haar neus dicht op het papier, schieten haar ogen van links naar rechts. Zo snel kan ik niet lezen, bedenk ik. Toch leest ze echt, zegt Nelleke, een van de twee begeleidsters. ‘Maar ik denk niet dat ze nog weet wat ze leest…’
Dan ineens, na een dik half uur, begint de stramme, stille mevrouw met haar zachte gezicht te praten. Dat wil zeggen, voor mij klinkt het als ‘jaleejalala’ en dat in verschillende toonhoogtes, maar haar dochter die haar aan het eind van de dag ophaalt, zegt dat ze haar moeder af en toe nog best kan verstaan – ze is vervallen in haar oude Groningse dialect.
Ik vind het moeilijk. Ze klinkt soms heel verdrietig en ik zou graag wat willen zeggen om haar te troosten. Maar wat? En hoe? Geen idee of ze echt hoort wat ik zeg… Nelleke en Natascha, de andere begeleidster, doen het beter. Zij strelen mevrouw af en toe liefdevol over haar arm of breekbare handen. Of ze pakken haar even lichtjes vast.
Het is wat haar werk zwaar maakt, zegt Nelleke. ‘Je krijgt zo weinig respons. Je begrijpt ze niet. Soms zijn ze verdrietig en meestal vul je zelf in wat er is – vaak sla je de plank volledig mis…’

De mensen die hier werken zijn allemaal geschoold én ervaren.
Zij kennen hun cliënten.
Weten wanneer ze een deur dicht moeten doen, omdat er mensen langs lopen met de jas aan – voor je het weet denken de cliënten dat ze ook al weer naar huis gaan.
Ze weten hoe ze iemand moeten helpen met toiletgang. Soms alleen, soms met z’n tweeën en ondersteund door een tillift. Of dat ze iemand eerst moeten wassen voor hij of zij weer terug kan naar de huiskamer – kleine ‘ongelukjes’ gebeuren soms.
Ze weten ook hoe belangrijk het is dat er een ‘gesloten loopcircuit’ is. Er is geen angst dat een cliënt zomaar weg loopt, terwijl hij of zij wel vrij kan rondlopen door de gangen – de buitendeuren zitten dicht.
Het zit in de kleine dingen, zeggen de begeleidsters. Weten hoe mensen kunnen reageren en weten hoe je ‘vervelende’ situaties, ‘boze’ reacties en ‘bijzonder’ gedrag moet benaderen en tegemoet kunt treden. En ook: geduldig zijn als het eten en drinken langzaam gaat en tóch nog die ene activiteit doen, hoe klein en eenvoudig soms ook.
Al deze dingen maken het zo belangrijk dat er professionals aan het werk zijn, zo zeggen ze zelf. Ik snap wat ze bedoelen.

Thuiszorg

Alle zes cliënten wonen nog thuis, de meeste met partner, één bij haar dochter. Vijf krijgen thuiszorg, de ‘roze mevrouw’ niet. ‘Wij snappen ook niet goed dat ze het nog zonder redden hoor’, zegt Nelleke.
Ik laat de dingen op me inwerken. Er is hier rust. Ruimte om de dingen te doen die de mensen willen en kunnen. Kleuren, schrijven, de krant lezen of zitten. Gewoon zitten en de dag voorbij laten glijden. De dag die van eetmomenten aan elkaar lijkt te hangen. Van de koffie naar het brood, via de thee met fruit, naar de plak krentenbrood met een glaasje sap. Waar de grote stoere man het bijkans naar binnen schrokt, moet de ander het echt voor de mond worden gehouden. Of zoals bij de ‘bozige mevrouw’, tegen wie steeds opnieuw gezegd moet worden dat het drinken voor haar is en niet voor een ander.
Ik realiseer me dat de mensen hier vooral zijn om de mantelzorger te ontlasten. Zodat hij of zij even kan ademhalen, even iets kan doen zonder continu op te letten en te zorgen, even zichzelf zijn, waardoor de zorg is vol te houden. Ik verbeeld me dat het voor de mensen hier misschien niet eens zo heel veel uitmaakt of ze thuis zijn of hier. Al vermoed ik dat hun partner ze thuis geen kleurplaat met kleurpotloden geeft en betwijfel ik of het eten en drinken zo geduldig en geregeld wordt aangeboden… Maar misschien vergis ik me.

Geborgenheid

Het is intensief, zeggen Natascha en Nelleke. Toch krijgt Natascha er ook energie van. ‘Het zijn de kleine dingen – een glimlach, een lief gebaar.’ Nelleke is ’s avonds wel leeg. ‘Je bent de hele dag aan het denken en doen’, zegt ze. ‘Wat zou iemand willen? Bedoelen? Wij proberen geborgenheid te bieden. Te zorgen. En we moeten het inderdaad vaak hebben van die ene glimlach.’
Beide doen ze hun werk zo te zien met liefde.

Het is theetijd. De ‘bozige mevrouw’ zit tegenover de dame in roze. ‘Zij zit ook niet fijn’, moppert de eerste. De mevrouw in roze reageert. ‘O, ik zit fijn hoor. Lekker aan het kleuren.’ ‘Nee hoor!’ krijgt ze van repliek. Het wordt geen discussie. Zo gaat dat hier niet meer…
Dan klinkt ineens de stem van de vriendelijke mevrouw. Heel helder. ‘Ik zit lekker hier.’ Zegt ze dit bewust of is het zomaar een zin? Ik weet het niet. Toch besluit ik haar te geloven.

Deel op:
Share