Ballen gooien

Ballen gooien

Activiteitenbegeleiding in zorginstellingen komt nogal eens neer op stagiaires en vrijwilligers. Aan betrokkenheid en goede wil ontbreekt het niet. Soms wel aan wat inzicht in de doelgroep. Kan dat kwaad? Vast wel eens, denk ik, maar niet altijd. In ieder geval niet die keer toen ik van de zijlijn meekeek.

Acht zijn er vandaag. Acht mensen met een dusdanige mate van dementie dat ze met een kleine dertig anderen in dit zorghuis wonen. Ieder heeft er een eigen kamer, een huiskamer delen ze met zeven. Vandaag zitten ze met z’n achten in de grote gezamenlijke woonkamer die beschikbaar is voor het hele huis. Het is koffieochtend, met daaraan gekoppeld een activiteit.
Een enkeling kwam zelfstandig aanlopen, een aantal had steun aan arm of rollator en twee van de drie aanwezige heren werden gerold in hun stoel. Een paar dames praten nog wat, een enkeling beantwoordt alleen een korte vraag en één zegt helemaal niets. Doet niets en kan dat ook niet meer. Hij is erbij. Erheen geduwd in zijn rolstoel en tussen zijn huisgenoten aan tafel gezet. Met het drinken van de koffie wordt hij geholpen.
De twee begeleidsters zijn uiterst verschillend. De een is jong, stagiaire sociaal pedagogische hulpverlening, soms wat onzeker en aan het begin van haar leven. De ander is vrijwilligster, kordaat en nog kwiek, maar qua leeftijd passend bij de groep waar ze mee werkt. Samen doen ze vandaag de activiteiten.
Na de koffie pakt de vrijwilligster door.
“Wie gaat er sjoelen en wie ballen gooien?”
Kan iemand zelf niet meer kiezen? Dan doet zij wel. Een dame gaat sjoelen. Eén van de mannen in rolstoel fungeert als publiek – erbij gereden door de vrijwilligster.
“Meneer houdt niet zo van sjoelen”, weet de stagiaire.
“Kan hij mooi even kijken”, negeert de vrijwilligster.
De andere man in rolstoel duwt ze naar het ballen gooien. Of hij daar wel van houdt, is niet te zien. Hij zit in zijn stoel zoals hij er ’s ochtends is in gezet. Vrijwel uitdrukkingsloos en zonder beweging. Een arm optillen kost moeite, een glimlach merkt hij bijna niet meer op. Laat staan een aanmoediging om de bal te gooien. De vrijwilligster bedoelt het goed. Ze gunt het hem zo graag, zo lijkt het.
“Kijk, hier is de bal.”
Ze legt ‘m op zijn knie. Zijn hand ligt er naast. Wijzend op het bord met grote en kleine gaten – met daarboven tientallen variërend van 20 tot 60 – legt ze uit dat de bal (eigenlijk een pittenzak) door één van de gaten moet.
“Een, twee, drie … en gooi maar”, moedigt ze aan. Meneer doet niets.
“Een, twee, drie … en gooi maar.” Opnieuw niets.
De vrijwilligster is pittig, maar heeft ook een eindeloos geduld, blijft vriendelijk en houdt vol.
“Een, twee…”
De stagiaire tikt zachtjes op haar schouder en zegt: “Misschien is het wel een beetje te hoog gegrepen voor meneer, misschien lukt het gewoon niet meer…”
De vrijwilligster knikt instemmend, pakt meneer’s hand en duwt de bal zachtjes op de grond.
“Goed zo. Doen we nog een keer.”

Deel op:
Share