De tijd verglijdt

De tijd verglijdt

Daar zitten ze. Ouderen met vergevorderde dementie. De een kijkt onpeilbaar voor zich uit, een ander zit met de ogen dicht. Of glimlacht, moppert. Is soms zelfs bazig. Een enkeling wandelt rond, gaat zelf naar het toilet of dwaalt wat door de gangen. Het merendeel zit en doet weinig anders dan blijven zitten. Zonder zichtbare activiteit. Eén van de dames zegt een aantal keren dat ze ‘straks’ nog even wil lopen. Maar als ik aanbied om nu vast met d’r mee te gaan, blijft het bij straks.
Ik zit erbij en kijk ernaar.
Vraag me af of het erg is.
Eenzaamheid kan een gevaar zijn, maar lijkt in deze setting niet direct aan de orde. Ze wonen met z’n zevenen in een zorghuis. Zijn alleen op hun eigen kamer of samen in de huiskamer met open keuken. Net wat ze willen of op dat moment past. Er wordt op ze gelet. Er hangt een sfeer van rust en wie iets wil krijgt de ruimte. Wandelen, was opvouwen of boontjes snijden – alles mag.
En als het ‘niets doen’ tóch erg is, wíé vindt het dan erg?
Zijn dat de bewoners zelf of zijn wij het, de gezonde en nog fitte mensen? Door onze eigen bril ziet het leven van deze ouderen er saai uit. Doelloos ook. Door onze eigen bril zien we misschien verveling. Ga iets doen, denk ook ik soms bij mezelf. Maar zijn deze mensen – na een leven lang ‘iets doen’− nu niet gewoon in een fase van tijdloosheid? Met een leven dat in dementie verglijdt, zonder dat tijd een rol speelt? Ik weet het niet. Misschien – ik ben er nog niet uit – maar misschien vinden we dat in ons eigen hectische leven wel gewoon moeilijk om te accepteren.

Deel op:
Share