De tijd verglijdt

De tijd verglijdt

Daar zitten ze. Ouderen met vergevorderde dementie. De een kijkt onpeilbaar voor zich uit, een ander zit met de ogen dicht. Of glimlacht, moppert. Is soms zelfs bazig. Een enkeling wandelt rond, gaat zelf naar het toilet of dwaalt wat door de gangen. Het merendeel zit en doet weinig anders dan blijven zitten. Zonder zichtbare activiteit. Eén van de dames zegt een aantal keren dat ze ‘straks’ nog even wil lopen. Maar als ik aanbied om nu vast met d’r mee te gaan, blijft het bij straks.
Ik zit erbij en kijk ernaar.
Vraag me af of het erg is.
Eenzaamheid kan een gevaar zijn, maar lijkt in deze setting niet direct aan de orde. Ze wonen met z’n zevenen in een zorghuis. Zijn alleen op hun eigen kamer of samen in de huiskamer met open keuken. Net wat ze willen of op dat moment past. Er wordt op ze gelet. Er hangt een sfeer van rust en wie iets wil krijgt de ruimte. Wandelen, was opvouwen of boontjes snijden – alles mag.
En als het ‘niets doen’ tóch erg is, wíé vindt het dan erg?
Zijn dat de bewoners zelf of zijn wij het, de gezonde en nog fitte mensen? Door onze eigen bril ziet het leven van deze ouderen er saai uit. Doelloos ook. Door onze eigen bril zien we misschien verveling. Ga iets doen, denk ook ik soms bij mezelf. Maar zijn deze mensen – na een leven lang ‘iets doen’− nu niet gewoon in een fase van tijdloosheid? Met een leven dat in dementie verglijdt, zonder dat tijd een rol speelt? Ik weet het niet. Misschien – ik ben er nog niet uit – maar misschien vinden we dat in ons eigen hectische leven wel gewoon moeilijk om te accepteren.

Deel op:
Share

Participeren of gewoon werken?

Participeren of gewoon werken?

De reclameborden hangen weer recht. De borden van de sponsor-die-geen-sponsor-meer-is zijn op de kop en achterstevoren gehangen en de zaterdagse rommel is van het veld. Tijd voor koffie. Het is half elf en de sencoruimte van de plaatselijke voetbalclub (lees: materiaal- en koffiehok) stroomt vol met mannen. Iemand vervangt nog even de vuilniszakken, een ander schenkt vast in. Als iedereen zit, wijst mijn buurman naar het hoofd van de tafel – ‘die man met die kale kop regelt ‘t allemaal’. En inderdaad, een ‘al wat oudere’ man zit klaar om het klussenlijstje langs te lopen.
“Zijn de planten gedaan?”
“Ja”, zegt de man wiens taak het was.
“Wie wil de stoffers en blikken controleren?”
“Ik wel”, zegt een ander.
De rest kletst ondertussen rustig door.
“Wacht even”, maant ‘het hoofd’, “zijn er nog agendapunten voor het overleg met de gemeente?”
Ja. Gerrit heeft wel iets. “Wiens zorg is het onkruid buiten de hekken?”
Het blijkt de gemeente te zijn.
“Dan mogen ze het wel vaker doen – het is geen gezicht.”
Zo gaat het nog even door. De ongeveer vijftien mannen van het seniorenconvent (senco) komen iedere dinsdagochtend van negen tot twaalf bij elkaar op het sportpark. Voor het verrichten van klein onderhoud op en rond de velden en in het clubgebouw. Ze beginnen met koffie, doen hun klussen – heg knippen, reclamedoeken ophangen, hang- en sluitwerk repareren, velden kalken of doucheputjes schoonmaken – bespreken tijdens de tweede koffieronde de zin en onzin van het leven, gaan nog weer even aan het werk (een enkeling heeft al genoeg gedaan en blijft zitten) en sluiten om half twaalf af met een borrel, biertje of glaasje limonade. De meeste mannen zijn oudgedienden. Voetbalden hier zelf ‘jaren’, waren jeugdleider of – zoals Roel (75) en Henk (79) zichzelf noemen – de ‘grote steunpilaren van vroeger’. Beiden speelden in het eerste elftal en Roel was jarenlang verzorger. Ook Puck (84) is zo’n oudgediende en tegelijk de oudste van het stel. Speelde in het 1e tot en met het 12e en stopte pas na zijn 62e verjaardag. Nu is hij verantwoordelijk voor het geld. Hij beheert de pot voor het jaarlijkse uitje (“met de vrouwen”) en telt wekelijks samen met Be (76) en Rinus (75) de kas van de clubkantine.
Het senco is een ‘klussenclub’. En meer. Ook de gezelligheid en het ‘ouwehoeren’ met leeftijdgenoten is belangrijk. “Elke dinsdagochtend wordt hier de wereld verbeterd.” Politiek, pensioen, de voor- en nadelen van computers… het komt allemaal voorbij en iedereen wil wel ergens iets over zeggen. De mannen mogen dan op leeftijd zijn, ze staan nog volop in het leven. Lezen de krant, volgen het nieuws en staan op zaterdag langs de lijn als het eerste elftal speelt. Hun ‘betaald werkzame leven’ ligt achter hen, maar werken doen ze nog steeds. Want zeg niet dat de dinsdagochtend vooral een koffieochtend is – er wordt gewoon gewerkt. Punt. Net als op die andere dagen waarop ze de deur uit zijn. Dan werken ze binnen de kerk of in een verzorgingshuis. Participeren heet dat tegenwoordig. Werken, noemen ze het zelf.
Als om half twaalf de borrel op tafel staat probeert ‘het hoofd’ nog even af te stemmen over het jaarlijkse uitje. Er wordt van alles geopperd. Een boottocht, pitch & put, het bekijken van oud ambachtelijk speelgoed (‘allemaal herkenbaar’) of toch gewoon – net als de afgelopen jaren – koffie en een borrel in het zalencentrum? ‘Het hoofd’ overziet zijn mannen en kiest praktisch. “De koffieochtend is op de fiets te doen en ook het minst gevaarlijk.”

Deel op:
Share

Bloemen voor de dood

Bloemen voor de dood

De stemming had zo maar bedrukt kunnen zijn. Een ochtend confereren over eenzaamheid klinkt immers niet direct opgewekt. Alleen al in het programma komt het woord zeven keer voor – te beginnen met de titel: ‘Eenzaamheid raakt ons allemaal’. Direct daarna staat er bij de eerste spreker: ‘Eenzaamheid: waar hebben we het over…?’ Een andere spreker heet zelfs ‘specialist in eenzaamheid’. Toch is het geen trieste vrijdagochtend in woonzorgcentrum Rivierenhof, waar de conferentie plaatsvindt. Er wordt zelfs geregeld wat gelachen. Vooral bij de eerste spreker, Marinus van den Berg, geestelijk verzorger in een revalidatiecentrum en een hospice. Eenzaamheid gaat over gevoelens, “het is een wij-gevoel dat mist” en “het raakt ons allemaal”, zegt hij. Het is herkenbaar en herkenbaarheid roept kennelijk soms een lach op.
Het verhaal van Marinus is doorspekt met oneliners en anekdotes. Maar het is tegelijk boeiend, want zo herkenbaar. Zo schrijnend soms ook. Zoals de constatering dat “sommige mensen meer bloemen krijgen na, dan voor hun dood”. Of het voorbeeld waarin iemand vertelt dat ze voor de eerste keer oma is geworden en dat de ander zegt: ‘Oh, dat ben ik al drie keer’. Herkenningsgelach. Of is het een lach van lichte plaatsvervangende schaamte?
Eenzaamheid is een gevoel, wil Marinus er mee zeggen. En we pakken elkaar veel gevoelens af, zegt hij ook. Veel mensen voelen zich eenzaam, omdat ze niet durven te vertellen. “En als iemand het al durft – áls die oude meneer in het verzorgingshuis al durft te zeggen dat hij zich alleen voelt, is de reactie vaak: Kijk eens om je heen. Zie je medebewoners, zoveel activiteiten en wat een mooi huis…”
Herkenningsgelach. Opnieuw. Gevolg door een zacht zuchtend ‘tja’.
Het is, zegt Marinus, heel belangrijk dat je ‘oordeelsvrije mensen’ ontmoet, de ‘veilige vertrouwde vreemde’. Iemand die luistert en je gevoel laat bestaan. Iemand die achter de opmerking dat het eten niet goed smaakt, hoort dat iemand eigenlijk zegt: ik ben eenzaam.
De zaal luistert, knikt, lacht wat en herkent zich. Eyeopeners zijn het – ergens weten we het wel, maar wat doen we er mee? Wat doe ik ermee? Opslaan, verder vertellen en mijn best doen om het er steeds weer bij te pakken.
“Oordeelsvrij zijn.” Twee woorden, maar o zo moeilijk.
“Echt luisteren, iemands gevoel laten bestaan.” Niet altijd eenvoudig.
“Elkaar meer eren dan corrigeren.” Nog zo een waarvan je hoopt dat je het vanaf nu echt gaat doen.
Het is goed dat er mensen zijn zoals Marinus van den Berg, mensen die je een spiegel voorhouden en aanzetten tot nadenken én tot het veranderen van je houding.
Wethouder Nelleke Vedelaar – de laatste spreker op de conferentie – is onder de indruk van Marinus. Bloemen krijgt ze bij bosjes. Die van vandaag neemt ze niet aan. Nee, de ‘bedankt-voor-het-spreken -bos’ gaat naar een mevrouw uit de zaal. Zij gaat die middag bij iemand op bezoek en neemt ze heel graag mee.
Marinus gaf de tip.
Geef meer bloemen voor de dood.

Deel op:
Share

Levenslessen

Levenslessen

Ik gebruik ze nog steeds, de gezegdes van mijn vader. De ene keer in het ABN, de andere keer in het dialect. Het zijn vaak waarheden waar je niet omheen kunt. Nuchtere constateringen. Maar ook hele flauwe uitspraken die nergens over gaan. Mijn zoons kennen ze inmiddels allemaal. ‘Tot treurens an toe’, zou mijn vader gezegd hebben. Vooral als ik ze in het dialect zeg, kijken ze me bijna meewarig aan. Met daarbij op hun voorhoofd in koeienletters: Heb je háár weer!
Mijn vader stierf een paar jaar voor mijn oudste zoon – nu twintig – werd geboren. Hij was een echte Achterhoeker. Nuchter, sprak de taal en had bij verschillende gebeurtenissen zijn vaste gezegdes. Ik gebruik ze nog met plezier. Ook buitenshuis. En ook daar kijken mensen me aan met een blik van: oké, als jij het grappig vindt… Voor mij zijn het echter kleine levenslessen. Ze helpen met relativeren. Bijvoorbeeld als er in gezelschap weer eens wordt geklaagd over de ‘fouten’ die ‘anderen’ maken. Soms kan ik me dan niet bedwingen en hoor ik mijn vader zeggen: ‘Niet iedereen is zoals ik … (hier valt een korte stilte) … had moeten zijn.’

Deel op:
Share