Participeren of gewoon werken?

Participeren of gewoon werken?

De reclameborden hangen weer recht. De borden van de sponsor-die-geen-sponsor-meer-is zijn op de kop en achterstevoren gehangen en de zaterdagse rommel is van het veld. Tijd voor koffie. Het is half elf en de sencoruimte van de plaatselijke voetbalclub (lees: materiaal- en koffiehok) stroomt vol met mannen. Iemand vervangt nog even de vuilniszakken, een ander schenkt vast in. Als iedereen zit, wijst mijn buurman naar het hoofd van de tafel – ‘die man met die kale kop regelt ‘t allemaal’. En inderdaad, een ‘al wat oudere’ man zit klaar om het klussenlijstje langs te lopen.
“Zijn de planten gedaan?”
“Ja”, zegt de man wiens taak het was.
“Wie wil de stoffers en blikken controleren?”
“Ik wel”, zegt een ander.
De rest kletst ondertussen rustig door.
“Wacht even”, maant ‘het hoofd’, “zijn er nog agendapunten voor het overleg met de gemeente?”
Ja. Gerrit heeft wel iets. “Wiens zorg is het onkruid buiten de hekken?”
Het blijkt de gemeente te zijn.
“Dan mogen ze het wel vaker doen – het is geen gezicht.”
Zo gaat het nog even door. De ongeveer vijftien mannen van het seniorenconvent (senco) komen iedere dinsdagochtend van negen tot twaalf bij elkaar op het sportpark. Voor het verrichten van klein onderhoud op en rond de velden en in het clubgebouw. Ze beginnen met koffie, doen hun klussen – heg knippen, reclamedoeken ophangen, hang- en sluitwerk repareren, velden kalken of doucheputjes schoonmaken – bespreken tijdens de tweede koffieronde de zin en onzin van het leven, gaan nog weer even aan het werk (een enkeling heeft al genoeg gedaan en blijft zitten) en sluiten om half twaalf af met een borrel, biertje of glaasje limonade. De meeste mannen zijn oudgedienden. Voetbalden hier zelf ‘jaren’, waren jeugdleider of – zoals Roel (75) en Henk (79) zichzelf noemen – de ‘grote steunpilaren van vroeger’. Beiden speelden in het eerste elftal en Roel was jarenlang verzorger. Ook Puck (84) is zo’n oudgediende en tegelijk de oudste van het stel. Speelde in het 1e tot en met het 12e en stopte pas na zijn 62e verjaardag. Nu is hij verantwoordelijk voor het geld. Hij beheert de pot voor het jaarlijkse uitje (“met de vrouwen”) en telt wekelijks samen met Be (76) en Rinus (75) de kas van de clubkantine.
Het senco is een ‘klussenclub’. En meer. Ook de gezelligheid en het ‘ouwehoeren’ met leeftijdgenoten is belangrijk. “Elke dinsdagochtend wordt hier de wereld verbeterd.” Politiek, pensioen, de voor- en nadelen van computers… het komt allemaal voorbij en iedereen wil wel ergens iets over zeggen. De mannen mogen dan op leeftijd zijn, ze staan nog volop in het leven. Lezen de krant, volgen het nieuws en staan op zaterdag langs de lijn als het eerste elftal speelt. Hun ‘betaald werkzame leven’ ligt achter hen, maar werken doen ze nog steeds. Want zeg niet dat de dinsdagochtend vooral een koffieochtend is – er wordt gewoon gewerkt. Punt. Net als op die andere dagen waarop ze de deur uit zijn. Dan werken ze binnen de kerk of in een verzorgingshuis. Participeren heet dat tegenwoordig. Werken, noemen ze het zelf.
Als om half twaalf de borrel op tafel staat probeert ‘het hoofd’ nog even af te stemmen over het jaarlijkse uitje. Er wordt van alles geopperd. Een boottocht, pitch & put, het bekijken van oud ambachtelijk speelgoed (‘allemaal herkenbaar’) of toch gewoon – net als de afgelopen jaren – koffie en een borrel in het zalencentrum? ‘Het hoofd’ overziet zijn mannen en kiest praktisch. “De koffieochtend is op de fiets te doen en ook het minst gevaarlijk.”

Deel op:
Share

Bloemen voor de dood

Bloemen voor de dood

De stemming had zo maar bedrukt kunnen zijn. Een ochtend confereren over eenzaamheid klinkt immers niet direct opgewekt. Alleen al in het programma komt het woord zeven keer voor – te beginnen met de titel: ‘Eenzaamheid raakt ons allemaal’. Direct daarna staat er bij de eerste spreker: ‘Eenzaamheid: waar hebben we het over…?’ Een andere spreker heet zelfs ‘specialist in eenzaamheid’. Toch is het geen trieste vrijdagochtend in woonzorgcentrum Rivierenhof, waar de conferentie plaatsvindt. Er wordt zelfs geregeld wat gelachen. Vooral bij de eerste spreker, Marinus van den Berg, geestelijk verzorger in een revalidatiecentrum en een hospice. Eenzaamheid gaat over gevoelens, “het is een wij-gevoel dat mist” en “het raakt ons allemaal”, zegt hij. Het is herkenbaar en herkenbaarheid roept kennelijk soms een lach op.
Het verhaal van Marinus is doorspekt met oneliners en anekdotes. Maar het is tegelijk boeiend, want zo herkenbaar. Zo schrijnend soms ook. Zoals de constatering dat “sommige mensen meer bloemen krijgen na, dan voor hun dood”. Of het voorbeeld waarin iemand vertelt dat ze voor de eerste keer oma is geworden en dat de ander zegt: ‘Oh, dat ben ik al drie keer’. Herkenningsgelach. Of is het een lach van lichte plaatsvervangende schaamte?
Eenzaamheid is een gevoel, wil Marinus er mee zeggen. En we pakken elkaar veel gevoelens af, zegt hij ook. Veel mensen voelen zich eenzaam, omdat ze niet durven te vertellen. “En als iemand het al durft – áls die oude meneer in het verzorgingshuis al durft te zeggen dat hij zich alleen voelt, is de reactie vaak: Kijk eens om je heen. Zie je medebewoners, zoveel activiteiten en wat een mooi huis…”
Herkenningsgelach. Opnieuw. Gevolg door een zacht zuchtend ‘tja’.
Het is, zegt Marinus, heel belangrijk dat je ‘oordeelsvrije mensen’ ontmoet, de ‘veilige vertrouwde vreemde’. Iemand die luistert en je gevoel laat bestaan. Iemand die achter de opmerking dat het eten niet goed smaakt, hoort dat iemand eigenlijk zegt: ik ben eenzaam.
De zaal luistert, knikt, lacht wat en herkent zich. Eyeopeners zijn het – ergens weten we het wel, maar wat doen we er mee? Wat doe ik ermee? Opslaan, verder vertellen en mijn best doen om het er steeds weer bij te pakken.
“Oordeelsvrij zijn.” Twee woorden, maar o zo moeilijk.
“Echt luisteren, iemands gevoel laten bestaan.” Niet altijd eenvoudig.
“Elkaar meer eren dan corrigeren.” Nog zo een waarvan je hoopt dat je het vanaf nu echt gaat doen.
Het is goed dat er mensen zijn zoals Marinus van den Berg, mensen die je een spiegel voorhouden en aanzetten tot nadenken én tot het veranderen van je houding.
Wethouder Nelleke Vedelaar – de laatste spreker op de conferentie – is onder de indruk van Marinus. Bloemen krijgt ze bij bosjes. Die van vandaag neemt ze niet aan. Nee, de ‘bedankt-voor-het-spreken -bos’ gaat naar een mevrouw uit de zaal. Zij gaat die middag bij iemand op bezoek en neemt ze heel graag mee.
Marinus gaf de tip.
Geef meer bloemen voor de dood.

Deel op:
Share

Ballen gooien

Ballen gooien

Activiteitenbegeleiding in zorginstellingen komt nogal eens neer op stagiaires en vrijwilligers. Aan betrokkenheid en goede wil ontbreekt het niet. Soms wel aan wat inzicht in de doelgroep. Kan dat kwaad? Vast wel eens, denk ik, maar niet altijd. In ieder geval niet die keer toen ik van de zijlijn meekeek.

Acht zijn er vandaag. Acht mensen met een dusdanige mate van dementie dat ze met een kleine dertig anderen in dit zorghuis wonen. Ieder heeft er een eigen kamer, een huiskamer delen ze met zeven. Vandaag zitten ze met z’n achten in de grote gezamenlijke woonkamer die beschikbaar is voor het hele huis. Het is koffieochtend, met daaraan gekoppeld een activiteit.
Een enkeling kwam zelfstandig aanlopen, een aantal had steun aan arm of rollator en twee van de drie aanwezige heren werden gerold in hun stoel. Een paar dames praten nog wat, een enkeling beantwoordt alleen een korte vraag en één zegt helemaal niets. Doet niets en kan dat ook niet meer. Hij is erbij. Erheen geduwd in zijn rolstoel en tussen zijn huisgenoten aan tafel gezet. Met het drinken van de koffie wordt hij geholpen.
De twee begeleidsters zijn uiterst verschillend. De een is jong, stagiaire sociaal pedagogische hulpverlening, soms wat onzeker en aan het begin van haar leven. De ander is vrijwilligster, kordaat en nog kwiek, maar qua leeftijd passend bij de groep waar ze mee werkt. Samen doen ze vandaag de activiteiten.
Na de koffie pakt de vrijwilligster door.
“Wie gaat er sjoelen en wie ballen gooien?”
Kan iemand zelf niet meer kiezen? Dan doet zij wel. Een dame gaat sjoelen. Eén van de mannen in rolstoel fungeert als publiek – erbij gereden door de vrijwilligster.
“Meneer houdt niet zo van sjoelen”, weet de stagiaire.
“Kan hij mooi even kijken”, negeert de vrijwilligster.
De andere man in rolstoel duwt ze naar het ballen gooien. Of hij daar wel van houdt, is niet te zien. Hij zit in zijn stoel zoals hij er ’s ochtends is in gezet. Vrijwel uitdrukkingsloos en zonder beweging. Een arm optillen kost moeite, een glimlach merkt hij bijna niet meer op. Laat staan een aanmoediging om de bal te gooien. De vrijwilligster bedoelt het goed. Ze gunt het hem zo graag, zo lijkt het.
“Kijk, hier is de bal.”
Ze legt ‘m op zijn knie. Zijn hand ligt er naast. Wijzend op het bord met grote en kleine gaten – met daarboven tientallen variërend van 20 tot 60 – legt ze uit dat de bal (eigenlijk een pittenzak) door één van de gaten moet.
“Een, twee, drie … en gooi maar”, moedigt ze aan. Meneer doet niets.
“Een, twee, drie … en gooi maar.” Opnieuw niets.
De vrijwilligster is pittig, maar heeft ook een eindeloos geduld, blijft vriendelijk en houdt vol.
“Een, twee…”
De stagiaire tikt zachtjes op haar schouder en zegt: “Misschien is het wel een beetje te hoog gegrepen voor meneer, misschien lukt het gewoon niet meer…”
De vrijwilligster knikt instemmend, pakt meneer’s hand en duwt de bal zachtjes op de grond.
“Goed zo. Doen we nog een keer.”

Deel op:
Share

Om half vier krentenbrood

Om half vier krentenbrood

Ze zegt niets, de mevrouw met het vriendelijke gezicht. Als ik haar een hand wil geven, lijkt het of ze dwars door me heen kijkt. Geen hand, geen reactie. Haar bewegingen zijn stram. Haar koffie krijgt ze eerst in een kopje, maar dat gaat al snel over in een tuitbeker. Mevrouw moet sowieso worden geholpen met drinken – met zo’n tuit knoeit het tenminste niet. Ook het plakje koek blijkt lastig. In eerste instantie houdt ze de hap minutenlang bewegingsloos in haar mond, uiteindelijk kauwt ze wat en slikt het door.

Ik ben een dagje te gast op een dagvoorziening voor mensen met vergevorderde dementie. Na een dag op een groep voor mensen met beginnende dementie, is dit andere koek. Waar op de andere groep nog wel een grapje wordt gemaakt, wat wordt gelachen en kleine gesprekjes mogelijk zijn, is hier weinig emotie zichtbaar. De lichamen zijn stram, de gezichten wat star en de ogen verraden weinig uitdrukking. Behalve die van de mevrouw naast mij. Zij kijkt wat boos, angstig misschien. Wat ze zegt, is ook vaak boos. ‘Nee hoor!’ ‘Verschrikkelijk!’ ‘Je bent een rotmens!’ Als je er met een lachend gezicht wat van zegt, lacht ze soms terug.

Kapitein

Vandaag zijn er twee mannen en vier vrouwen. De beide mannen zitten naast elkaar. ‘Dat is mijn neef’, zegt de grootste van de twee, een forse man die in zijn werkzame leven als kapitein op een schip vast een groot gezag uitstraalde. Nu is hij een man die de hele dag bezig is met eten en drinken.
‘Mag ik nog wat thee?’
‘Om twaalf uur gaan we eten.’
‘Om half vier krijgen we krentenbrood.’ Hij zegt het de hele dag door met enige regelmaat.
Daarnaast gaat hij volledig op in zijn activiteit. Hij zit nog maar net aan tafel als hij al een handvol velletjes papier en een pen krijgt aangereikt. De begeleidsters kennen hem. Meneer begint direct te schrijven. Als ik hem in de loop van de dag vraag waar hij over schrijft, noemt hij Piet Hein en de Zilvervloot. Het gaat over piraten, over goud dat werd veroverd en over hoe dat geld vervolgens op een bank in Holland werd gezet. Verhalen van vroeger.
Heel veel meer zegt ook hij niet op zo’n dag. Ook zijn neef praat amper nog. Die pakt op een gegeven moment een mandala en kleurpotloden en zoekt een tafeltje alleen. Het wordt een kleurig geheel en netjes binnen de lijntjes.

Breekbare handen

Een mevrouw in roze pakt de krant. Met haar neus dicht op het papier, schieten haar ogen van links naar rechts. Zo snel kan ik niet lezen, bedenk ik. Toch leest ze echt, zegt Nelleke, een van de twee begeleidsters. ‘Maar ik denk niet dat ze nog weet wat ze leest…’
Dan ineens, na een dik half uur, begint de stramme, stille mevrouw met haar zachte gezicht te praten. Dat wil zeggen, voor mij klinkt het als ‘jaleejalala’ en dat in verschillende toonhoogtes, maar haar dochter die haar aan het eind van de dag ophaalt, zegt dat ze haar moeder af en toe nog best kan verstaan – ze is vervallen in haar oude Groningse dialect.
Ik vind het moeilijk. Ze klinkt soms heel verdrietig en ik zou graag wat willen zeggen om haar te troosten. Maar wat? En hoe? Geen idee of ze echt hoort wat ik zeg… Nelleke en Natascha, de andere begeleidster, doen het beter. Zij strelen mevrouw af en toe liefdevol over haar arm of breekbare handen. Of ze pakken haar even lichtjes vast.
Het is wat haar werk zwaar maakt, zegt Nelleke. ‘Je krijgt zo weinig respons. Je begrijpt ze niet. Soms zijn ze verdrietig en meestal vul je zelf in wat er is – vaak sla je de plank volledig mis…’

De mensen die hier werken zijn allemaal geschoold én ervaren.
Zij kennen hun cliënten.
Weten wanneer ze een deur dicht moeten doen, omdat er mensen langs lopen met de jas aan – voor je het weet denken de cliënten dat ze ook al weer naar huis gaan.
Ze weten hoe ze iemand moeten helpen met toiletgang. Soms alleen, soms met z’n tweeën en ondersteund door een tillift. Of dat ze iemand eerst moeten wassen voor hij of zij weer terug kan naar de huiskamer – kleine ‘ongelukjes’ gebeuren soms.
Ze weten ook hoe belangrijk het is dat er een ‘gesloten loopcircuit’ is. Er is geen angst dat een cliënt zomaar weg loopt, terwijl hij of zij wel vrij kan rondlopen door de gangen – de buitendeuren zitten dicht.
Het zit in de kleine dingen, zeggen de begeleidsters. Weten hoe mensen kunnen reageren en weten hoe je ‘vervelende’ situaties, ‘boze’ reacties en ‘bijzonder’ gedrag moet benaderen en tegemoet kunt treden. En ook: geduldig zijn als het eten en drinken langzaam gaat en tóch nog die ene activiteit doen, hoe klein en eenvoudig soms ook.
Al deze dingen maken het zo belangrijk dat er professionals aan het werk zijn, zo zeggen ze zelf. Ik snap wat ze bedoelen.

Thuiszorg

Alle zes cliënten wonen nog thuis, de meeste met partner, één bij haar dochter. Vijf krijgen thuiszorg, de ‘roze mevrouw’ niet. ‘Wij snappen ook niet goed dat ze het nog zonder redden hoor’, zegt Nelleke.
Ik laat de dingen op me inwerken. Er is hier rust. Ruimte om de dingen te doen die de mensen willen en kunnen. Kleuren, schrijven, de krant lezen of zitten. Gewoon zitten en de dag voorbij laten glijden. De dag die van eetmomenten aan elkaar lijkt te hangen. Van de koffie naar het brood, via de thee met fruit, naar de plak krentenbrood met een glaasje sap. Waar de grote stoere man het bijkans naar binnen schrokt, moet de ander het echt voor de mond worden gehouden. Of zoals bij de ‘bozige mevrouw’, tegen wie steeds opnieuw gezegd moet worden dat het drinken voor haar is en niet voor een ander.
Ik realiseer me dat de mensen hier vooral zijn om de mantelzorger te ontlasten. Zodat hij of zij even kan ademhalen, even iets kan doen zonder continu op te letten en te zorgen, even zichzelf zijn, waardoor de zorg is vol te houden. Ik verbeeld me dat het voor de mensen hier misschien niet eens zo heel veel uitmaakt of ze thuis zijn of hier. Al vermoed ik dat hun partner ze thuis geen kleurplaat met kleurpotloden geeft en betwijfel ik of het eten en drinken zo geduldig en geregeld wordt aangeboden… Maar misschien vergis ik me.

Geborgenheid

Het is intensief, zeggen Natascha en Nelleke. Toch krijgt Natascha er ook energie van. ‘Het zijn de kleine dingen – een glimlach, een lief gebaar.’ Nelleke is ’s avonds wel leeg. ‘Je bent de hele dag aan het denken en doen’, zegt ze. ‘Wat zou iemand willen? Bedoelen? Wij proberen geborgenheid te bieden. Te zorgen. En we moeten het inderdaad vaak hebben van die ene glimlach.’
Beide doen ze hun werk zo te zien met liefde.

Het is theetijd. De ‘bozige mevrouw’ zit tegenover de dame in roze. ‘Zij zit ook niet fijn’, moppert de eerste. De mevrouw in roze reageert. ‘O, ik zit fijn hoor. Lekker aan het kleuren.’ ‘Nee hoor!’ krijgt ze van repliek. Het wordt geen discussie. Zo gaat dat hier niet meer…
Dan klinkt ineens de stem van de vriendelijke mevrouw. Heel helder. ‘Ik zit lekker hier.’ Zegt ze dit bewust of is het zomaar een zin? Ik weet het niet. Toch besluit ik haar te geloven.

Deel op:
Share